
Het
was het voorjaar van 1981, en de ingrijpende verbouwing en restauratie van
het voormalige veilinggebouw Frascati tot multifunctioneel theatercomplex
liep op zijn einde.
Eén onderdeel van het masterplan was nog niet
ingevuld; de inrichting van de theaterfoyer die, geheel in de tijdgeest,
als theatercafé ook voor niet theaterbezoekers open moest staan.
Maar zoals dat gaat met omvangrijke bouwprojecten; het budget voor het laatste
onderdeel was al drie keer uitgegeven aan andere onoverkomelijke problemen
tijdens de bouw.
De
Architecten van de restauratie, Pieter Zaanen, Kees Spanjers en Peter Dautzenberg,
wisten een oplossing voor dit nijpende geld- en tijdgebrek.
Zij daagden alle bij de restauratie betrokken vaklieden uit nog één
keer te vlammen, en te laten zien waar zij werkelijk toe in staat zijn.
En dus sneed de tegelzetter eindeloos tegeltjes in
driehoekjes, goot de stucadoor afdrukken van originele maskers uit de depots
van de Nederlandse Opera, soldeerde de loodgieter een zinken bar, laste
de smid ijzeren barkrukken en creëerde de terrazzowerker een warme
roos in de koude vloer.
De architecten ontwierpen, verwierpen en coördineerden
de eruptie van vakmanschap en talent, en zo ontstond een unicum in de Nederlandse
café-architectuur; een interieur met daglicht en planten als in de
hangende tuinen van Babylon, met glimmende materialen en een overzichtelijke
lay-out.
Het was de tijd van bruine café’s, met zand op de vloer en
veel donkere nissen, dus de kwaliteit van het interieur werd niet direct
door een ieder herkend. Brouwer Freddy Heineken, die zelf poolshoogte kwam
nemen van het nieuwe fenomeen, verklaarde ‘...Het lijkt hier wel
een slagerij!’.
Maar de argwaan duurde niet lang, en al snel sloten de Amsterdamse theaterwereld
en kroegtijgers De Blincker
in hun hart en sindsdien is het niet meer weg te denken in de Amsterdamse
horecacultuur.